Haal ook mooie cijfers voor je economie(vmbo).
Direct Toegang
X
Haal ook mooie cijfers voor je economie(vmbo).
50% Complete
Download dit samenvattingsboek economie en leer hoe je beter en makkelijker kan leren.

Page content

Vijf examenvragen die over de koopkracht,brutowinst,geldfuncties en het banksaldo gaan.

examenMet de volgende vijf  examenvragen kun je oefenen met de begrippen koopkracht, brutowinst, geldfuncties en het banksaldo. Pak pen en papier om jouw antwoorden op te schrijven. Onderaan de pagina zijn de uitwerkingen gegeven.

 

Examenvraag 1

Informatiebron 1

Van de site van Bloemenveiling Aalsmeer:

Iedere werkdag tussen 7.00 en 11.00 uur bent u van harte welkom bij Bloemenveiling Aalsmeer. U krijgt informatie door middel van een audiosysteem langs de route (beschikbaar in zeven talen). Het is ook mogelijk om de veiling te bezoeken onder begeleiding van een professionele gids.  

 

Tarieven

Volwassenen € 4,50 p.p.

Kinderen (6 t/m 11 jaar) € 2,50 p.p.

Groepen (vanaf 15 personen) € 3,50 p.p. Gratis toegang voor begeleider en buschauffeur.

Gids € 75

Meneer Wouters heeft van de directie van de school maar € 125 subsidie gekregen voor de rondleiding. Gelukkig kunnen de 23 leerlingen van de klas op de fiets naar de bloemenveiling. Meneer Wouters gaat mee als begeleider. Een gids vertelt wat er op de veiling allemaal gebeurt.

Hoeveel moet elke leerling bijbetalen zodat meneer Wouters genoeg geld voor het uitstapje heeft? Meneer Wouters betaalt zelf niet. Rond je antwoord af op een veelvoud van 5 cent. Schrijf je berekening op.

 

Examenvraag 2

Albert Amstelveen heeft net een partij bloemen gekocht. Hij maakt er boeketten van. Voor een boeket heeft hij 9 stelen nodig. De bloemen kosten € 0,09 per steel. Verder gebruikt hij wat ander materiaal om het boeket compleet te maken. Per boeket kost dit andere materiaal inkoop € 0,50. “Van de 10 boeketten die ik inkoop, verkoop ik gemiddeld maar 7 boeketten voor de normale prijs. Twee Boeketten verkoop ik voor € 8,40 en 1 boeket moet de prullenbak in.” De verkoopprijs van één boeket verkoopt de bloemist voor € 21,- zonder btw.

Bereken de brutowinst op deze 10 boeketten. Schrijf je berekening op.

De btw mag je buiten beschouwing laten

 

Examenvraag 3

 Lenen van geld moet kunnen, volgens Kees, want hij verdient  gelukkig elk jaar meer geld. Kees heeft nu een salaris van netto € 1.800 per maand. Vorig jaar verdiende hij € 1.770. De inflatie is 1,1 procent.

Is de koopkracht van Kees toegenomen of afgenomen? Schrijf je berekening op

 

Examenvraag 4

Kees besluit in te gaan op het aanbod van de kredietverstrekker. Enige tijd later wordt € 10.000 op zijn bankrekening gestort. Voordat Kees het geld op zijn bankrekening ontving, had hij een debetsaldo van € 325.

Wat is nu het saldo op zijn bankrekening?

 

Examenvraag 5

Kees gaat op zoek naar een nieuwe auto. Hij bezoekt veel garages en vergelijkt de prijzen. Hoe wordt geld nu gebruikt?

A oppotmiddel

B rekenmiddel

C ruilmiddel

D spaarmiddel

 

Voor de antwoorden moet je flink naar beneden scrollen :-).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Antwoorden

 

Examenvraag 1

Toegang leerlingen: 23 x € 3,50 = € 80,50

plus de gids € 80,50 + € 75 = € 155,50 -€ 125,00 subsidie= tekort € 30,50 

Elke leerling moet bijdragen: € 30,50 : 23 = € 1,33 → € 1,35

 

Examenvraag 2

Van de 10 boeketten die de bloemist inkoopt zijn er 7 die hij verkoopt voor € 7,- en twee voor € 8,40 de opbrengst is: € 21,00 x 7 = € 147,00 +(€ 8,40 x 2 )= € 163,80

Opbrengst – inkoopwaarde = brutowinst

De inkoopwaarde voor tien boeketten (9 x € 0,09 + € 0,50) x 10 = € 13,10

Brutowinst is € 163,80 – € 13.10= € 150,70

 

Examenvraag 3

Zijn koopkracht is toegenomen.Zijn loon is toegenomen (1.800 – 1.770 ) / 17,70 = 1,7%  

Zijn koopkracht  is met 1,7% – 1,1% = (ongeveer) 0,6% toegenomen.

 

Examenvraag 4

Voor de storting van € 10.000 stond Kees ‘rood’. Hij kwam € 325 te kort. Na de storting staat er € 10.000 – € 325 = € 9.675 (tegoed) op zijn rekening.

 

Examenvraag 5

Het antwoord is een rekenmiddel (B).  Kees vergelijkt de prijzen. Door te gelijken is Kees aan het bepalen of hij de auto ook die waarde toekent.

 

 

Nog meer over weten over de begrippen klik dan op de woorden koopkracht 

Comment Section

0 reacties op “Vijf examenvragen die over de koopkracht,brutowinst,geldfuncties en het banksaldo gaan.

Plaats een reactie


*